Smelt wat echte boter in een soeppot, snijd de ajuin, wortel en pastinaak grof en stoof aan in de boter. Voeg ook de in schijfjes gesneden look toe, maar zorg ervoor dat het vuur niet te hoog staat zodat de look niet verbrandt. Roer zo nu en dan om.
Voeg nu al de laurier, tijm en nootmuskaat toe.
Snijd ondertussen de dotten witloof maar snijd het hart aan de voet niet mee (gooi het op de composthoop).
Als de soepgroenten goed aangestoofd zijn, roer je er het witloof door en strooi je er wat bruine suiker over. Roer goed om en laat meestoven.
Als alle groenten goed aangestoofd zijn en het witloof-aroma is vrijgekomen, blus je de groenten met bouillon. Giet er de room onder en laat de soep een half uur sudderen.
Voor je garnering kan je ondertussen eieren hardkoken: 8 tot 10 minuten in water met een scheutje azijn. Of bak ondertussen in blokjes gesneden oud brood lekker langs alle kanten krokant in een Tefalpan met een flinke scheut olijfolie. Schud de pan zo nu en dan om zodat alle kanten van het brood kunnen bakken.
Haal de laurier uit de pot en pureer de soep met een staafmixer. Proef en breng verder op smaak met peper, zout en nootmuskaat.
Schep de witloofsoep in een bord en garneer naar believen met korstjes of gekookte eieren, wat gemalen kaas en verse, fijngehakte tuinkruiden.